Show Menu

Wetenschapsfilosofie Algemeen W2 Cheat Sheet by

Wetenschapsfilosofie
wetenschapsfilosofie

Aristo­teles (384-322 v.Chr.)

Theo­ret­ische kennis: kennis van onvera­nde­rlijke versch­ijn­selen (metaf­ysica, wiskunde)
Prak­tische kennis: kennis van het moreel verant­woord handelen (ethiek en politiek)
Poët­ische kennis: kennis van hoe je dingen moet maken (kunst en ambacht)

Syllol­ogisme

Een indu­cti­eve redenering ontwikkelt een verkla­rende theorie uit de feiten en versch­ijn­selen. Een dedu­cti­eve redenering leidt de versch­ijn­selen af uit algemene beginselen of theorieën.

Indu­ctie: uitspraken die via een proces van genera­lis­ering worden afgeleid uit indivi­duele waarne­mingen.
Dedu­ctie: ordening van drie uitspraken zodat zij logisch uit elkaar volgen met het doel om de waarne­mingen te verklaren.
➝ Alle M zijn P (alle mensen zijn sterfe­lijk)
➝ Alle S zijn M (Socrates is een mens)
➝ Alle S zijn P (Socrates is sterfe­lijk)

Aristo­teles' eerste principes

➝ Alle natuur­lijke beweging is beweging naar een natuurlijk rustpunt
➝ Alle gedwongen beweging vereist een voortd­urende inspanning van de beweger

Causa materi­alis (materiële oorzaak)
Causa formalis (vormo­orzaak)
Causa effici­ens (bewer­kin­gso­orzaak)

• Causa finalis (doelo­orz­aak)


Definities

Tele­olo­gische verkla­ring: de functi­onele verklaring van een functie beschrijft wat een ding doet of welk doel het dient, in plaats van wat het is
Geoc­ent­ris­me: de theorie dat de aarde het centrum van het zonnes­telsel is (Arist­oteles)
A priori: from the earlier, kennis die voorafgaat aan de ervaring of er niet afhank­elijk van is
A poster­iori: from the later, kennis afgeleid uit de ervaring

Ptolemaeus (87-150)

Epic­ycl­us: hulpci­rkels, bedoeld om de schijnbare bewegingen van de planeten aan het uitspansel te kunnen verklaren.
 

Copernicus (1473-­1543)

Ptolemaeus ontwik­­kelde inst­r­um­­ent­­al­i­s­ti­sche modellen om die afwijk­­ingen te verklaren, maar die modellen hadden geen pretentie fysiek correct te zijn.

Het helioc­ent­risch model zou betere voorsp­ell­ingen van observ­aties opleveren volgens Copern­icus. Of de zon daadwe­rkelijk in het midden van het universum stond liet hij open. ➝ inst­rum­ent­ali­sti­sch

Galileo Galilei (1564-­1642)

Heli­­oc­e­n­tr­­isme: de theorie dat de zon het middelpunt van het universum is (1609)
Real­ist­isch interp­retatie van het helioc­ent­risme: De planeten en aarde draaiden daad­wer­kel­ijk om de zon heen
Primaire kwalit­eit­en: kwalit­eiten die in wiskundige termen kunnen worden omschr­even, kwanti­tatieve eigens­chappen zoals omvang, gewicht, plaats en beweging
Secu­ndaire kwalit­eit­en: ideeën die alleen alleen in het bewustzijn bestaan zoals smaak, kleur, temper­atuur
➝ Volgens Galilei deden in de wetenschap alleen de primaire kwalit­eiten er toe
➝ De natuur is volgens hem machin­ist­isch, en kan worden beschreven mbv de wiskunde

• Mechan­ist­isc­h-m­ath­ema­tische tak v.d. wetens­cha­ppe­lijke revolutie, Galilei als centraal figuur
Gali­lei: "Het boek van de natuur is geschreven in de taal van de wiskun­­de."­

Descartes (1596-­1650)

• Descartes als begin van het moderne denken
Cogito ergo sum: Het simpele feit dát men twijfelt, impliceert dat hij bestaat. Het is een explicatie van wat er al was: het zijn ligt besloten in het denken.
Idées claires et distin­ctes: een helder en onders­cheiden idee
Res cogita­ns: Het idee dat de geest niet gemeten kan worden in termen van lengte, gewicht, hoogte, kleur etc.
Res extensa: Het bewust­zijn, geest of ik.

Empiri­sti­sch­-ex­per­ime­nteel

Onbevo­oro­ordeeld en system­atisch doen van waarne­mingen, wetens­cha­ppers moeten zich losmaken van de traditie. Waarne­mingen moeten worden gesyst­ema­tiseerd via experi­menten. Het samenkomen van de mechan­ist­isc­h-m­ath­ema­tische en de experi­menteel empiri­stische wetens­chappen als belangrijk punt van de wetens­cha­ppe­lijke revolu­tie.

Francis Bacon (1561-­1626)
Robert Boyle (1627-­169­1): grondl­egger methoden experi­mentele waarne­mingen
 

Isaac Newton (1642-­1727)

Grondl­egger klassieke natuur­kunde. Empiri­stische oriëntatie samenb­rengen met een wiskundige wetens­chap. "­Wet­enschap moet gebaseerd worden op waarne­mingen, maar deze moeten geordend worden in een axioma­tisch systee­m."

Axioma­tisch systeem

1. Ieder lichaam volhardt in zijn toestand van rust of eenparige rechtl­ijnige beweging behalve als het door de werking van krachten gedwongen wordt die toestand te wijzigen (tegen­ove­rge­stelde van Aristo­teles)
2. F=m*a ➝ een kracht is het product is de massa maal de versne­lling van het object

David Hume (1711-­1776)

David Hume trok de uiterste conseq­uentie uit de kloof tussen geest en materie. Een radicale empiri­stisch, alleen via waarneming kan men kennis verwerven.

Twee soorten uitspr­aken:
1. Anal­ytische uitspraken (relations of ideas): uitspraken die alleen ‘in de geest’ ontstaan en waar zijn op grond van defini­ties; op grond van de betekenis van de woorden die er in voorkomen.
➝ volgens Hume noodza­kelijk waar, uitdru­kking a priori van kennis vooraf­gaand aan de waarneming
2. Synt­het­ische uitspraken (matters of fact): uitspraken over de ‘materie’ die waar zijn op grond van zintui­gelijke ervaring
➝ volgens Hume drukken deze uitspraken a poster­iori kennis uit: kennis na waarneming

Volgens Hume waren synthe­tische uitspraken per definitie onbetr­ouw­baar.
➝ Zijn kritiek als bedreiging natuur­wet­ens­cha­ppen, radicaal empirisme
➝ zintui­glijke ervaring kan niet door een system­atische werkwijze (exper­ime­nten) gezuiverd worden, consis­tente waarne­mingen zijn onmogelijk
Indu­cti­epr­obl­eem: je kunt niet uit eindige uitspraken tot een universele uitspraak komen
Probleem van causal­ite­it: fundament Aristo­teles, Newton. Causal­iteit verond­erstelt een noodza­kelijke relatie tussen gebeur­ten­issen A. Je kunt niet vastst­ellen dat B altijd op A volgt.

Immanuel Kant (1724-­1804)

Kritik der reinen Vernunft (1781): kritisch onderzoek naar de gronds­lagen van de rede
Kant's kritiek op Hume: synt­het­ische uitspraken kunnen wel a priori gedaan worden, en vormen het fundament van de wetens­chappen

➝ Ons kenver­mogen heeft een bepaalde structuur voor onze waarneming
aans­cho­uwi­ngs­vor­men: ruimte en tijd ➝ geheel onafha­nkelijk van ons, Dinge an Sich
cate­gor­iee­̈n: oorzak­eli­jkheid, eenheid, veelheid ➝ hoe wij de wereld waarnemen, fenomenale wereld

Download the Wetenschapsfilosofie Algemeen W2 Cheat Sheet

2 Pages
//media.cheatography.com/storage/thumb/soraya_wetenschapsfilosofie-algemeen-w2.750.jpg

PDF (recommended)

Alternative Downloads

Share This Cheat Sheet!

 

Comments

No comments yet. Add yours below!

Add a Comment

Your Comment

Please enter your name.

    Please enter your email address

      Please enter your Comment.

          Related Cheat Sheets

          More Cheat Sheets by Soraya